Spaanse woorden leren: zo pak je het aan
Je hoeft geen duizenden woorden te kennen om je te redden. Met de meest gebruikte Spaanse woorden begrijp je al een groot deel van wat je om je heen hoort en leest. Zo leer je ze het snelst:
- Begin met de basiswoorden. Groeten, bedanken, ja en nee, de getallen en de vraagwoorden gebruik je in elk gesprek.
- Leer een zelfstandig naamwoord met zijn lidwoord. Dan weet je meteen of het woord mannelijk (el) of vrouwelijk (la) is.
- Luister en zeg het hardop na. Klik op een kaart, luister naar de uitspraak en herhaal het woord.
- Leer tien woorden per dag. Herhaal ze de volgende dag, na een paar dagen en na een week. In zeven weken ken je ze alle 500.
- Maak er meteen een zin mee. Met quiero (ik wil) en un café zeg je al quiero un café, por favor.
Met de knop boven de kaarten zet je de vertaling uit. Zo test je of je de betekenis nog weet. Onderaan staat een oefening met tien vragen uit de hele lijst.
Spaanse basiswoorden: groeten en beleefd zijn
Met deze basiswoorden kom je de eerste dag in Spanje al een heel eind. Hola zeg je de hele dag, tegen iedereen. Wil je wat beleefder klinken, zet er dan de groet van dat moment achter: hola, buenos días. Vale hoor je in Spanje voortdurend: oké, prima, afgesproken. Meer zinnen om iemand te begroeten en jezelf voor te stellen vind je in de les Begroeten en voorstellen.
Ik, jij en de: voornaamwoorden en lidwoorden
Deze kleine woordjes staan in bijna elke Spaanse zin. In het Spaans laat je yo en tú vaak weg, want aan het werkwoord zie je al wie het doet: hablo is ik spreek. In Spanje spreek je een groep vrienden aan met vosotros. Het lidwoord vertelt of een woord mannelijk (el) of vrouwelijk (la) is. Hoe dat werkt, lees je in de les Mannelijk en vrouwelijk.
Vraagwoorden in het Spaans
Een Spaans vraagwoord heeft altijd een accent. Een vraag begint bovendien met een omgekeerd vraagteken: ¿Dónde está la playa? Zonder accent is porque geen vraag maar het antwoord: omdat. Meer voorbeelden staan in de les Vraagwoorden.
Kleine woordjes: voorzetsels en voegwoorden
Met voorzetsels zeg je waar iets is of waar je heen gaat: voy a Madrid, ik ga naar Madrid. Twee voorzetsels lijken op elkaar en geven Nederlanders vaak hoofdbrekens: por en para. Het verschil lees je in de les Por en para. Waar dingen staan, zoals al lado de en detrás de, oefen je in De weg vragen en navigeren.
Getallen in het Spaans
Tellen in het Spaans begint met uno, dos, tres. Tot en met 15 heeft elk getal een eigen woord, daarna bouw je ze op: dieciséis is zestien, treinta y dos is tweeëndertig. Honderd is cien, maar 101 is ciento uno. Alle getallen tot een miljoen vind je in de les De getallen.
De 25 meest gebruikte Spaanse werkwoorden
Deze werkwoorden hoor je in bijna elk gesprek. Het Spaans heeft twee werkwoorden voor zijn: ser voor wie of wat iets is (soy holandés, ik ben Nederlander) en estar voor waar of hoe iets is (estoy en casa, ik ben thuis). Hay betekent er is of er zijn: hay un bar aquí. De meeste van deze werkwoorden zijn onregelmatig. Alle vormen staan bij Spaanse werkwoorden vervoegen, bijvoorbeeld van ser, estar, tener en ir.
Werkwoorden voor elke dag
Met deze werkwoorden vertel je wat je op een gewone dag doet. Bijna allemaal zijn ze regelmatig: ken je hablar, comer en vivir, dan ken je het patroon van de werkwoorden op -ar, -er en -ir. Een werkwoord met -se aan het eind, zoals levantarse, is wederkerend: me levanto a las siete, ik sta om zeven uur op. In Spanje zeg je coger voor pakken of nemen: cojo el autobús.
Hoeveel Spaans ken je al?
Doe de gratis niveautest. In een paar minuten weet je op welk niveau je Spaans is.
Doe de niveautestSpaanse woorden voor de tijd
Let op het verschil tussen mañana (morgen) en la mañana (de ochtend). Morgenochtend is dus mañana por la mañana. La tarde loopt in Spanje door tot een uur of negen, want Spanjaarden eten laat. Meer woorden voor de tijd staan in de les Tijdsaanduidingen en hoe laat het is, lees je in De kloktijden.
Dagen, maanden en seizoenen
De dagen en de maanden schrijf je in het Spaans met een kleine letter: el lunes, en enero. Op maandag is el lunes, zonder voorzetsel. Meer oefenen? Kijk bij De dagen van de week en De maanden en seizoenen.
Mensen en familie
Veel woorden voor mensen hebben een mannelijke vorm op -o en een vrouwelijke op -a: el amigo en la amiga. Het meervoud in de mannelijke vorm geldt voor een gemengde groep: los padres zijn de ouders en los hijos de kinderen. Alle familieleden vind je in de les De familie, het gezin.
Spaanse woorden voor eten en drinken
In Spanje eet je laat: de lunch, la comida, rond twee uur en het avondeten, la cena, vaak pas na negen uur. Bestel je sap, vraag dan om un zumo. Tussen de middag hebben veel restaurants een voordelig menú del día. Hoe je bestelt en om de rekening vraagt, oefen je in de les In een restaurant. Meer woorden staan bij Groenten en fruit en In de keuken.
Spaanse woorden voor op reis
Een kaartje voor de trein of de bus is el billete. Dat woord gebruik je ook voor een bankbiljet. Een kamer in een hotel is la habitación. In Spanje rijd je in el coche. Meer woorden en zinnen staan in de lessen Op reis gaan, Transportmiddelen en In het hotel.
In de stad: de weg vinden
Vraag je de weg, dan hoor je vaak todo recto (rechtdoor) en a la derecha of a la izquierda. De wc vraag je met ¿dónde está el baño? Meer zinnen om de weg te vragen staan in de les De weg vragen en navigeren. Wat je verder buiten tegenkomt, lees je in Buiten.
In huis en dagelijkse dingen
In Spanje wonen veel mensen in un piso, een appartement. Datzelfde woord gebruik je voor een verdieping: vivo en el tercer piso. Je telefoon heet in Spanje el móvil en je computer el ordenador. Meer woorden voor in huis vind je in de lessen In de woonkamer en Kleding.
Werk en school
El trabajo is het werk en ook je baan: busco trabajo, ik zoek werk. El colegio is de basisschool of middelbare school, la universidad de universiteit. Meer woorden staan in de lessen Op kantoor, Op school en Beroepen.
Woorden die je in elk gesprek hoort
Deze zelfstandige naamwoorden kom je in bijna elk gesprek tegen. Een paar zijn anders dan je verwacht: el problema en el día zijn mannelijk, al eindigen ze op een -a. El tiempo betekent de tijd en ook het weer: ¿qué tiempo hace? betekent: hoe is het weer? En la vez gebruik je voor keer: otra vez, nog een keer.
Het lichaam en je gezondheid
Heb je ergens pijn, dan zeg je dat met me duele: me duele la cabeza, ik heb hoofdpijn. Bij het lichaam gebruik je in het Spaans meestal het lidwoord en niet mijn: me lavo las manos, ik was mijn handen. La mano is vrouwelijk, al eindigt het op -o. Meer woorden staan in de lessen Het menselijk lichaam en Gezondheid.
Bijvoeglijke naamwoorden: groot, klein en mooi
Een Spaans bijvoeglijk naamwoord staat meestal achter het woord en past zich daaraan aan: un coche nuevo, maar una casa nueva. Woorden op -e, zoals grande en importante, blijven gelijk. Hoe je iemand beschrijft, oefen je in de lessen Fysieke eigenschappen en Karaktereigenschappen. Hoe je je voelt, lees je in Gemoedstoestanden.
De kleuren in het Spaans
Ook een kleur past zich aan het woord aan: el coche rojo, la casa roja. Azul, verde, gris en marrón hebben maar één vorm. Ook rosa blijft meestal gelijk. Meer kleuren en tinten staan in de les De kleuren.
Muy, mucho en más: hoeveel, waar en hoe
Muy zet je voor een bijvoeglijk naamwoord (muy bonito, heel mooi) en mucho bij een zelfstandig naamwoord of een werkwoord (mucho tiempo, veel tijd; trabajo mucho, ik werk veel). Staan nada en nadie achter het werkwoord, dan zet je er no voor: no hay nada, er is niets. Dat lees je in de les Ontkenningen. Over ya en todavía gaat de les Ya en todavía.
Het weer en de natuur
Over het weer praat je in het Spaans met hace: hace calor (het is warm) en hace frío (het is koud). Voor regen en sneeuw heb je een eigen werkwoord: llueve (het regent) en nieva (het sneeuwt). Meer weerwoorden staan in de les Het weer en dieren vind je bij Dieren.
Test jezelf
Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.
Veelgestelde vragen over Spaanse woorden
Wat zijn de meest gebruikte Spaanse woorden?
De woorden die je het vaakst hoort, zijn kleine woordjes: de (van), que (dat), y (en), el en la (de), en (in) en a (naar). Daarna volgen werkwoorden als ser en estar (zijn), tener (hebben), hacer (doen, maken) en ir (gaan). Op deze pagina staan de 500 meest gebruikte Spaanse woorden per thema, met geluid.
Hoeveel Spaanse woorden moet je kennen?
Met zo'n 500 woorden red je je in eenvoudige situaties: iets bestellen, de weg vragen en jezelf voorstellen. Met 1000 tot 2000 woorden volg je de meeste alledaagse gesprekken. Wil je zelfstandig praten over je werk, je reizen en je dagelijks leven, dan groeit je woordenschat naar een paar duizend woorden.
Hoe leer je snel Spaanse woorden?
Leer elke dag een klein aantal woorden en herhaal ze op vaste momenten: de volgende dag, na een paar dagen en na een week. Luister naar de uitspraak, zeg het woord hardop en maak er een korte zin mee. Leer een zelfstandig naamwoord altijd met zijn lidwoord. In de gratis lessen oefen je de woorden per onderwerp, met een quiz aan het eind.
Wat zijn goede Spaanse basiswoorden om mee te beginnen?
Begin met hola, gracias, por favor, sí en no. Leer daarna de getallen tot tien en vraagwoorden als ¿dónde? en ¿cuánto?. Voeg daar de werkwoorden ser, estar, tener en querer aan toe. Daarmee groet je, vraag je iets en bestel je al een koffie.
Is er ook een lijst met de 1000 meest gebruikte Spaanse woorden?
Deze pagina begint met de 500 woorden die je het vaakst nodig hebt. Wil je verder, dan vind je in de lessen per onderwerp honderden woorden en zinnen extra, elk met geluid. In de leeromgeving van Leuk Spaans leren bouw je je woordenschat stap voor stap op tot niveau B2.
Hoe spreek je Spaanse woorden uit?
Spaans spreek je bijna altijd uit zoals je het schrijft. Let op een paar letters: de h spreek je niet uit (hola klinkt als ola), de j klinkt ongeveer als de Nederlandse g (jamón) en de ñ als nj (mañana). Een accent laat zien waar de klemtoon ligt: café, autobús. Klik op een kaart om het woord te horen. Meer uitleg vind je in de les De Spaanse uitspraak.
Leer nog meer Spaanse woorden
In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.
Download het gratis e-bookZelfstandig Spaans leren
Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.
Meer hierover op het blog
Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.
-
Op het strand in Spanje
La playa es un lugar fantástico donde poder relajarnos y disfrutar del mar, la arena y el sol. Pero para ir a la playa ¿qué necesitamos llevar?
Oefening
-
La ciudad: de stad
Zo beschrijf je je stad in het Spaans, met woorden als bonita, tranquila en histórica en hun vertaling. Een video laat zien wat je in een stad vindt.
Woordenlijst
