Het weer in het Spaans: ¿qué tiempo hace?
Het weer is in het Spaans el tiempo. Wil je weten wat voor weer het is, dan vraag je ¿Qué tiempo hace? of ¿Qué tiempo hace hoy? Het antwoord begint meestal met hace, van het werkwoord hacer (maken, doen). Het is mooi weer zeg je met hace buen tiempo, en slecht weer is hace mal tiempo. Let op: voor het zelfstandig naamwoord wordt bueno korter, dus je zegt buen tiempo en mal tiempo. Is het echt een stralende dag, dan zeg je hace un día precioso of roep je ¡qué buen tiempo!
Regen in het Spaans: la lluvia y llueve
Regen is la lluvia. Het regent is llueve, van het werkwoord llover (regenen). In llueve wordt de o een ue, net als bij puedo van poder. Regent het op dit moment, dan zeg je está lloviendo. In het weerbericht hoor je vaak chubascos: dat zijn regenbuien. Bij hay tormenta onweert het. Regent het pijpenstelen, dan zeg je in Spanje llueve a cántaros, letterlijk: het regent kruiken. En vergeet je paraguas niet, je paraplu.
Het waait in het Spaans: hace viento
Het waait zeg je met hace viento: letterlijk "het maakt wind". De wind zelf is el viento. Waait het hard, dan zeg je hace mucho viento. Het werkwoord waaien is soplar: sopla el viento, de wind waait. In Spanje hoor je in de spreektaal ook vaak hace aire. Dat betekent hetzelfde als hace viento.
Bewolkt in het Spaans: está nublado
Bewolkt is nublado, van la nube (de wolk). In het dagelijks Spaans zeg je está nublado; in het weerbericht staat vaak nuboso. Zit de hele lucht dicht, dan is het cubierto: zwaar bewolkt. Het tegenovergestelde is despejado: onbewolkt, een heldere lucht zonder één wolk. Het werkwoord despejar betekent vrijmaken; de lucht is dus "vrijgemaakt". Zie je wolken, dan zeg je ook gewoon hay nubes. Mist is la niebla, en mistig is hay niebla.
De zon in het Spaans: el sol y hace sol
De zon is el sol. De zon schijnt zeg je met hace sol, net als hace calor. Breekt de zon door of komt ze op, dan zeg je sale el sol. Een zonnige dag is un día soleado; dat woord hoor je ook in het weerbericht. De zonsondergang is la puesta del sol, en tegen de felle zon zet je las gafas de sol op, je zonnebril.
Warm en koud in het Spaans: hace calor, hace frío
Het is warm is hace calor en het is koud is hace frío. Is het heet, dan zeg je hace mucho calor. Fris weer is hace fresco. In de spreektaal hoor je in Spanje ook hace un frío que pela: het is ijskoud. Gaat het om hoe jij je voelt, dan gebruik je tener: tengo calor (ik heb het warm) en tengo frío (ik heb het koud). Zeg over jezelf niet estoy caliente: dat betekent niet dat je het warm hebt, maar dat je opgewonden bent.
Temperaturen in het Spaans: estamos a 25 grados
In Spanje meet je de temperatuur, la temperatura, in graden Celsius: grados. Hoe warm het nu is, zeg je met estamos a 25 grados (het is 25 graden). Je kunt ook zeggen hace 25 grados. Je spreekt het getal gewoon uit: veinticinco grados. Een graad is un grado, en onder nul is bajo cero: estamos a dos grados bajo cero, of korter menos dos grados. Vragen naar de temperatuur doe je met ¿A cuántos grados estamos? of ¿Cuál es la temperatura? Wil je de getallen oefenen, kijk dan bij de getallen in het Spaans.
Sneeuw en vorst in het Spaans: nieva y hiela
Sneeuw is la nieve. Het sneeuwt is nieva, van nevar (sneeuwen); de e wordt hier ie. Sneeuwt het op dit moment, dan zeg je está nevando. Het vriest is hiela, van helar (vriezen). Daar komt ook el helado vandaan, het ijsje. Het hagelt is graniza, van granizar, en hagel is el granizo. Ook in Spanje valt er sneeuw: in de bergen van de Pyreneeën en in de Sierra Nevada bij Granada kun je skiën.
El tiempo of el clima: weer, klimaat en weerbericht
El tiempo heeft twee betekenissen: het weer en de tijd. Hace buen tiempo gaat over het weer, no tengo tiempo betekent dat je geen tijd hebt. Uit de zin blijkt welke je bedoelt. El clima is het klimaat: het weer zoals het gemiddeld over vele jaren is. Vandaag kan het in Málaga regenen (el tiempo), terwijl Málaga een zacht klimaat heeft (el clima). Het weerbericht is la previsión del tiempo of kortweg el tiempo. Op de Spaanse televisie komt het na het nieuws, gepresenteerd door el hombre del tiempo of la mujer del tiempo.
Over het weer praten: ¡qué calor!
Over het weer praat je in Spanje net zo graag als in Nederland. Met ¡qué...! roep je iets uit: ¡qué calor! (wat is het warm!) of ¡qué frío hace! (wat is het koud!). Wat het weer gaat doen, zeg je met va a: mañana va a llover, morgen gaat het regenen. Vraag je naar het weer van morgen, dan zeg je ¿Qué tiempo hará mañana? Het spreekwoord en abril, aguas mil betekent dat het in april veel regent; het lijkt op ons "april doet wat hij wil".
Test jezelf
Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.
Veelgestelde vragen over het weer in het Spaans
Hoe zeg je het weer in het Spaans?
Het weer is el tiempo. Je vraagt naar het weer met ¿Qué tiempo hace? Het is mooi weer is hace buen tiempo, en het is slecht weer is hace mal tiempo.
Hoe zeg je regen en het regent in het Spaans?
Regen is la lluvia. Het regent is llueve, van llover. Regent het op dit moment, dan zeg je está lloviendo. Een regenbui is un chubasco.
Hoe zeg je het waait in het Spaans?
Het waait is hace viento, en hard waaien is hace mucho viento. De wind is el viento en waaien is soplar. In Spanje hoor je ook hace aire.
Wat betekent despejado?
Despejado betekent onbewolkt of helder. Está despejado zeg je als er geen wolk aan de lucht is. Het tegenovergestelde is está nublado (bewolkt) of está cubierto (zwaar bewolkt).
Waarom zeg je hace calor en niet es calor?
Voor het weer gebruik je in het Spaans hacer: hace calor, hace frío, hace sol. Calor is een zelfstandig naamwoord (warmte), daarom zeg je ook hace mucho calor. Over jezelf zeg je tengo calor: ik heb het warm.
Hoe zeg je de temperatuur in het Spaans?
Met estamos a 25 grados of hace 25 grados: het is 25 graden. Onder nul zeg je dos grados bajo cero of menos dos grados. Je vraagt het met ¿A cuántos grados estamos?
Wat is het verschil tussen el tiempo en el clima?
El tiempo is het weer van vandaag of deze week, en het betekent ook de tijd. El clima is het klimaat: het weer zoals het gemiddeld over vele jaren is.
Hoe zeg je het sneeuwt in het Spaans?
Het sneeuwt is nieva, van nevar. Sneeuw is la nieve. Het vriest is hiela en het hagelt is graniza.
Wil je verder na het weer?
In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.
Download het gratis e-bookZelfstandig Spaans leren
Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.
Meer hierover op het blog
Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.