Naar de inhoud

Kleding Ropa

Kleding is in het Spaans la ropa. Een trui is el jersey, een broek los pantalones en een rugzak la mochila. Hieronder vind je de kledingstukken per groep, van bovenkleding tot ondergoed, telkens met de uitspraak. Je leert ook het verschil tussen ponerse en llevar, hoe je een kleur bij kleding zet en wat je zegt in een Spaanse winkel: je maat noemen, iets passen en zeggen dat het te groot is. Klik op een kaart om het woord te horen. Zet "Toon vertaling" uit als je jezelf wilt overhoren.

Bovenkleding in het Spaans: trui, vest en overhemd

Een trui is in het Spaans el jersey. De j spreek je uit als de g in "gaan" en de ey aan het eind als "ei". Een coltrui is el jersey de cuello alto en een sweater la sudadera. Een vest is la rebeca; een gilet zonder mouwen heet el chaleco. Het overhemd is la camisa, het T-shirt la camiseta en de blouse la blusa. In Latijns-Amerika hoor je voor een trui ook el suéter.

Broek, rok en jurk in het Spaans

Een broek is los pantalones. Net als in het Engels is dat een meervoud, ook als je één broek bedoelt: unos pantalones negros is een zwarte broek. In Spanje hoor je ook het enkelvoud el pantalón. Een korte broek is los pantalones cortos en een spijkerbroek los vaqueros. De rok is la falda en de jurk el vestido. Pas op met dat laatste woord: vestido lijkt op vest, maar het is een jurk.

Jassen en pakken: abrigo, chaqueta en traje

Een dikke winterjas is el abrigo. Een kortere jas of een jasje is la chaqueta en een colbert heet in Spanje la americana. Een pak is el traje; het jasje van een pak is ook weer la chaqueta. Een trainingspak is el chándal, een woord dat je in Spanje overal hoort, van de sportschool tot het schoolplein.

Schoenen in het Spaans: zapatos, botas en zapatillas

Schoenen zijn los zapatos en laarzen las botas. Sportschoenen zijn las zapatillas deportivas, of kortweg las zapatillas. Let op: met zapatillas bedoelt een Spanjaard ook pantoffels. Voor de zomer heb je las sandalias en voor het strand las chanclas, de slippers. Las alpargatas zijn espadrilles: linnen schoenen met een zool van touw, die in Spanje al eeuwen gedragen worden.

Accessoires in het Spaans: rugzak, riem, handschoenen en muts

De rugzak is la mochila, de riem el cinturón en handschoenen zijn los guantes. Een muts is el gorro of el gorro de lana, een pet la gorra en een hoed el sombrero. Een sombrero is in het Spaans dus elke hoed, niet alleen de grote Mexicaanse. Let ook op el bolso en la bolsa: el bolso is een handtas, la bolsa een zak of tasje, zoals je dat bij de kassa krijgt.

Ondergoed, sokken en badpak in het Spaans

Het badpak is el bañador. In Spanje gebruik je dat woord ook voor een zwembroek. Een bikini schrijf je meestal als el biquini. Wat je verder meeneemt naar het strand, lees je in op het strand in Spanje. Sokken zijn los calcetines. Ondergoed is la ropa interior: een onderbroek voor mannen is los calzoncillos, voor vrouwen las bragas en een bh is el sujetador.

Ponerse en llevar: aantrekken en dragen

Wat je aanhebt, zeg je met llevar: hoy llevo vaqueros, vandaag draag ik een spijkerbroek. Iets aantrekken is ponerse: me pongo el abrigo, ik trek mijn jas aan. Llevar zegt dus hoe het is, ponerse wat je doet. Het omgekeerde van ponerse is quitarse, uittrekken: me quito los zapatos. Ook een muts of een zonnebril zet je op met ponerse. Ponerse is onregelmatig: me pongo, te pones, se pone. Bij kleding zeg je in het Spaans meestal el of la en niet "mijn": me pongo el abrigo en niet mi abrigo. Llevar betekent ook meenemen; het verschil met traer lees je in llevar en traer.

Kleuren en kleding: un jersey rojo

De kleur komt in het Spaans na het kledingstuk en past zich daaraan aan: un jersey rojo, maar una falda roja. Bij een meervoud krijgt de kleur ook een meervoud: unos vaqueros azules, unas botas marrones. Rosa en naranja blijven bij een mannelijk woord gelijk: un jersey rosa. Een patroon zeg je met de: de rayas (gestreept), de cuadros (geruit), de flores (met bloemen) en de lunares (met stippen). Alle kleuren met uitspraak en hoe je lichtblauw of donkergroen zegt, leer je in de les de kleuren in het Spaans.

Kleding kopen in Spanje: ¿qué talla tiene?

In een kledingwinkel vraagt de verkoper vaak ¿qué talla tiene?, welke maat heeft u? Je antwoordt met tengo la talla 38, of kortweg la 38. Wil je iets passen, dan vraag je ¿me lo puedo probar? Het woordje lo staat voor het kledingstuk: bij la falda wordt het ¿me la puedo probar? en bij los pantalones ¿me los puedo probar? Passen doe je in el probador, de paskamer. Is het niet goed, dan zeg je me queda grande of me queda pequeño. Ook dat past zich aan: la falda me queda pequeña, los pantalones me quedan grandes. In Spanje hoor je ook me está grande.

Schoenmaten: ¿qué número calza?

Bij schoenen vraag je niet naar la talla maar naar el número: ¿qué número calza? Het werkwoord calzar betekent hier "schoenmaat hebben": calzo un 40 is ik heb maat 40. Spanje gebruikt dezelfde schoenmaten als Nederland, dus een 40 is daar ook een 40. Zitten ze te strak, dan zeg je me aprietan un poco.

Test jezelf

Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.

Veelgestelde vragen over kleding in het Spaans

Hoe zeg je trui in het Spaans?

Een trui is el jersey, met de j als een g. Een coltrui is el jersey de cuello alto en een sweater la sudadera. In Latijns-Amerika zeggen ze vaak el suéter.

Wat is kleding in het Spaans?

Kleding of kleren is la ropa. Het is in het Spaans een enkelvoud: mi ropa está sucia, mijn kleren zijn vuil. Eén kledingstuk is una prenda.

Hoe zeg je broek, jurk en vest in het Spaans?

Een broek is los pantalones (in Spanje ook el pantalón), een jurk el vestido en een vest la rebeca. Laat je niet in de war brengen door vestido: dat is dus geen vest.

Wat is het verschil tussen ponerse en llevar?

Ponerse is aantrekken, het moment dat je iets aandoet: me pongo el abrigo. Llevar is dragen, wat je aanhebt: hoy llevo un jersey rojo. Uittrekken is quitarse.

Hoe vraag je in een Spaanse winkel of je iets mag passen?

Je vraagt ¿me lo puedo probar? De verkoper vraagt dan misschien ¿qué talla tiene?, welke maat heeft u? De paskamers zijn los probadores. Is het te groot of te klein, dan zeg je me queda grande of me queda pequeño.

Zijn Spaanse kledingmaten en schoenmaten hetzelfde als in Nederland?

Schoenmaten zijn gelijk: een 40 is in Spanje ook een 40. Je zegt calzo un 40. Bij dameskleding vallen Spaanse maten meestal een maat kleiner uit, dus een Nederlandse 38 is daar vaak een 40. Het verschilt per merk.

Wanneer is de uitverkoop in Spanje?

De rebajas zijn er twee keer per jaar. De winteruitverkoop begint traditioneel op 7 januari en de zomeruitverkoop op 1 juli. Winkels mogen zelf de datum kiezen, dus sommige beginnen eerder.

Wat is typisch Spaanse kleding?

Op straat draagt men in Spanje dezelfde kleding als bij ons; Zara en Mango zijn zelfs Spaanse merken. De bekendste traditionele kleding is el traje de flamenca, de flamencojurk met stippen (de lunares) die vrouwen in Andalusië op de feria dragen. Ook de espadrilles, las alpargatas, zijn typisch Spaans.

Wil je verder na de kleding?

In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.

Download het gratis e-book
Leuk Spaans leren

Zelfstandig Spaans leren

Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.

Begin vandaag →
Leuk Spaans leren is onderdeel van Espaans.

Meer hierover op het blog

Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.