Familie in het Spaans: la familia
La familia betekent de familie, maar ook het gezin: in het dagelijks Spaans gebruik je voor allebei hetzelfde woord. Uit de zin blijkt wat je bedoelt. Familia is vrouwelijk, dus je zegt la familia en mi familia (mijn familie). Eén familielid is un familiar en je familieleden samen zijn los familiares.
Oma en opa in het Spaans: la abuela y el abuelo
Oma is la abuela en opa is el abuelo. Dezelfde woorden gebruik je voor grootmoeder en grootvader; een apart, deftiger woord is er niet. Opa en oma samen zijn los abuelos, de grootouders. Hun kleinkinderen zijn los nietos: el nieto is de kleinzoon en la nieta de kleindochter. Hoe kleinkinderen hun oma en opa liefkozend noemen, lees je verderop bij de koosnamen.
Moeder, vader en ouders in het Spaans
Moeder is la madre en vader is el padre. Samen zijn ze los padres, de ouders. Dat lijkt op "de vaders", maar meestal bedoel je vader en moeder samen. Over je eigen ouders zeg je mis padres. Spreek je ze aan, dan zeg je mamá en papá.
Zoon en dochter in het Spaans: el hijo y la hija
Zoon is el hijo en dochter is la hija. Heb je een zoon en een dochter, of alleen zoons, dan zijn het samen los hijos: je kinderen. Alleen dochters zijn las hijas. Let op het verschil met los niños: dat zijn kinderen in het algemeen, jonge kinderen. Je eigen kinderen zijn altijd mis hijos, ook als ze volwassen zijn. Een enig kind is hijo único of hija única.
Broer en zus in het Spaans: el hermano y la hermana
Broer is el hermano en zus is la hermana. Los hermanos zijn broers, of broers en zussen samen. Alleen zussen zijn las hermanas. Een broertje of zusje is el hermano pequeño of la hermana pequeña; liefkozend zeg je ook hermanito en hermanita. Je oudere broer of zus is el hermano mayor of la hermana mayor.
Oom, tante, neef en nicht in het Spaans
Oom is el tío en tante is la tía; samen zijn ze los tíos. Bij neef en nicht moet je opletten. Het Nederlands gebruikt die woorden voor twee verschillende familieleden, het Spaans niet. Het kind van je oom of tante is el primo of la prima. Het kind van je broer of zus is el sobrino of la sobrina. Zeg je neefje, dan bedoel je vaak het kind van je broer of zus: mi sobrino. En hoor je in Spanje ¡tío! tegen iemand die geen familie is, dan betekent het zoiets als "man" of "gast".
Partner en schoonfamilie: el marido, la suegra y el cuñado
Je man is el marido en je vrouw is la mujer; iets formeler zijn el esposo en la esposa. Ben je niet getrouwd, dan heb je un novio of una novia, of je zegt mi pareja (mijn partner). Door een huwelijk krijg je la familia política, de schoonfamilie. Schoonvader en schoonmoeder zijn el suegro en la suegra, samen los suegros. Je zwager is el cuñado en je schoonzus la cuñada. De man van je dochter is el yerno en de vrouw van je zoon la nuera.
Mamá, papá en abuelita: koosnamen in de familie
Thuis spreek je je ouders aan met mamá en papá, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Zonder accent is papa iets anders: el papa is de paus. Met -ito of -ita maak je een woord kleiner en liever: abuelita en abuelito zijn omaatje en opaatje. Zo noemen veel kleinkinderen hun oma en opa ook gewoon. In veel delen van Spanje zeggen kinderen ook yaya en yayo.
Over je familie vertellen: ¿cuántos hermanos tienes?
Vraag je naar iemands familie, dan gebruik je tener (hebben): ¿Tienes hermanos? Het antwoord is bijvoorbeeld tengo dos hermanos of no tengo hermanos. Bij één familielid zeg je mi (mijn) en tu (jouw), bij meer mis en tus: mi hermana, mis hermanas. Hoe iemand heet, zeg je met llamarse: mi madre se llama Carmen, mijn moeder heet Carmen.
Test jezelf
Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.
Veelgestelde vragen over de familie in het Spaans
Hoe zeg je oma en opa in het Spaans?
Oma is la abuela en opa is el abuelo. Samen zijn ze los abuelos. Liefkozend zeg je abuelita en abuelito. In veel delen van Spanje hoor je ook yaya en yayo.
Wat betekent la familia?
La familia betekent de familie en ook het gezin. Mi familia is dus mijn familie of mijn gezin. Een padre de familia of madre de familia is een vader of moeder met een gezin.
Hoe zeg je zoon en dochter in het Spaans?
Zoon is el hijo en dochter is la hija. Je kinderen samen zijn los hijos; kinderen in het algemeen zijn los niños.
Hoe zeg je broer en zus in het Spaans?
Broer is el hermano en zus is la hermana. Broers en zussen samen zijn los hermanos. Een broertje is el hermano pequeño, een zusje la hermana pequeña.
Wat is het verschil tussen primo en sobrino?
Primo en prima zijn de kinderen van je oom of tante. Sobrino en sobrina zijn de kinderen van je broer of zus. In het Nederlands zijn het allebei neef en nicht.
Waarom betekent los padres de ouders?
Voor een groep met minstens één man gebruik je in het Spaans het mannelijk meervoud. Los padres zijn daarom vader en moeder. Los hermanos zijn broers en zussen. Alleen voor een groep vrouwen zeg je las: las hermanas.
Hoe vraag je in het Spaans of iemand broers of zussen heeft?
Met ¿Tienes hermanos? of ¿Cuántos hermanos tienes? Je antwoordt bijvoorbeeld tengo dos hermanos of no tengo hermanos. Ben je enig kind, dan zeg je soy hijo único, of als vrouw soy hija única.
Hoe zeg je schoonmoeder, schoonvader en zwager in het Spaans?
Schoonmoeder is la suegra, schoonvader el suegro en zwager el cuñado. Je schoonzus is la cuñada. De hele schoonfamilie heet la familia política.
Wil je verder na de familie?
In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.
Download het gratis e-bookZelfstandig Spaans leren
Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.
Meer hierover op het blog
Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.
