De delen van de dag in het Spaans
Een dag heeft in het Spaans vier delen: la mañana (de ochtend), la tarde (de middag), la noche (de avond en de nacht) en la madrugada (de kleine uurtjes na middernacht). Rond de lunch ligt el mediodía. De grenzen liggen in Spanje anders dan bij ons, omdat Spanjaarden later lunchen en later eten.
| Spaans | Nederlands | Ongeveer |
|---|---|---|
| la mañana | de ochtend | van het opstaan tot de lunch |
| el mediodía | het middaguur | rond twaalf uur; in Spanje ook de lunchtijd |
| la tarde | de middag | van de lunch tot het avondeten, rond negen uur |
| la noche | de avond en de nacht | van het avondeten tot middernacht |
| la madrugada | de kleine uurtjes | van middernacht tot zonsopkomst |
Wil je zeggen wanneer iets gebeurt, dan zet je er por voor: por la mañana is 's ochtends. Hoe dat per dagdeel werkt, lees je hieronder. Hoe laat het is, leer je in de les de kloktijden.
Ochtend in het Spaans: la mañana
Ochtend is in het Spaans la mañana. 's Ochtends of in de ochtend zeg je met por la mañana: por la mañana trabajo, 's ochtends werk ik. Gaat het om een vaste dag, dan zet je die ervoor: el martes por la mañana is dinsdagochtend. Vanochtend is esta mañana en vroeg in de ochtend is por la mañana temprano.
Halverwege de ochtend, rond elf uur, is a media mañana. Dan nemen veel Spanjaarden een koffie of een tweede ontbijt. Meer over de eettijden in Spanje lees je in het blog ¿A qué hora comen los españoles? De zonsopkomst is la salida del sol of el amanecer en bij zonsopkomst is al amanecer.
Middag in het Spaans: la tarde
Middag is in het Spaans la tarde. 's Middags is por la tarde en vanmiddag is esta tarde. Donderdagmiddag is el jueves por la tarde. In Spanje begint la tarde pas na de lunch, die laat is: meestal tussen twee en drie uur. La tarde loopt door tot het avondeten, rond negen uur. Om zeven uur 's avonds zeg je dus nog por la tarde.
Tussen de middag, rond de lunch, is a mediodía of al mediodía. Beide vormen zijn goed. Halverwege de middag, rond zes uur, is a media tarde. Dan eten kinderen in Spanje vaak la merienda, een tussendoortje.
Avond en nacht in het Spaans: la noche
Voor avond en nacht heeft het Spaans één woord: la noche. 's Avonds en 's nachts zijn allebei por la noche en zaterdagavond is el sábado por la noche. Vanavond en vannacht zijn esta noche. Gisteravond, of afgelopen nacht, is anoche. Met de noche zeg je dat het donker is: no me gusta conducir de noche, ik rijd niet graag in het donker.
Een vroege avond is in Spanje nog la tarde. La noche begint ongeveer bij het avondeten, als het donker wordt. De zonsondergang is la puesta del sol en bij het vallen van de avond is al anochecer. Middernacht is la medianoche en om middernacht a medianoche.
Na middernacht begint la madrugada: de kleine uurtjes tot zonsopkomst. De madrugada betekent midden in de nacht of heel vroeg in de ochtend: salimos de madrugada, we vertrokken in alle vroegte. Het werkwoord madrugar betekent vroeg opstaan.
Por la mañana of de la mañana?
Zonder kloktijd zeg je por la mañana, por la tarde en por la noche: trabajo por la mañana, ik werk 's ochtends. Noem je een kloktijd, dan wordt het de la mañana: a las ocho de la mañana, om acht uur 's ochtends. Dat geldt ook voor de la tarde, de la noche en de la madrugada: a las tres de la madrugada is om drie uur 's nachts.
Na een kloktijd zeg je dus de la mañana en niet por la mañana. En la mañana hoor je in Latijns-Amerika, maar in Spanje zeg je por la mañana. Hoe je de tijd zelf zegt, met y cuarto, y media en menos cuarto, leer je in de les de kloktijden.
Gisteren, vandaag en morgen in het Spaans: ayer, hoy y mañana
Vandaag is hoy, gisteren is ayer en morgen is mañana. Overmorgen is pasado mañana en eergisteren is anteayer of antes de ayer. Je kunt ze combineren met een dagdeel: ayer por la tarde is gistermiddag en mañana por la noche is morgenavond.
Gaat het om vandaag, dan zeg je meestal esta: esta mañana (vanochtend), esta tarde (vanmiddag) en esta noche (vanavond). Gisteravond heeft een eigen woord: anoche. Hoe je vraagt welke dag het vandaag is, leer je in de les de dagen van de week.
Volgende week, vorige maand, volgend jaar: que viene y pasado
Volgende of komende zeg je met que viene achter het woord: la semana que viene (volgende week), el mes que viene (volgende maand) en el año que viene (volgend jaar). Je kunt ook próximo of próxima ervoor zetten: la próxima semana, el próximo año. Vorige is pasado, achter het woord: el mes pasado (vorige maand), el año pasado (vorig jaar). Pasado past zich aan: semana is vrouwelijk, dus vorige week is la semana pasada.
Deze week, deze maand en dit jaar zijn esta semana, este mes en este año. Bij een dag van de week werkt het net zo: el viernes que viene, el martes pasado. Meer daarover lees je bij de dagen van de week en de maanden en seizoenen.
Geleden en over: hace dos días y dentro de una semana
Twee dagen geleden is hace dos días. Hace staat vooraan en daarna komt hoe lang het geleden is: hace una semana (een week geleden), hace un año (een jaar geleden). Lang geleden is hace mucho tiempo en kort geleden hace poco. In een zin staat het meestal achteraan: llegué a España hace dos años, ik kwam twee jaar geleden in Spanje aan.
Over een week, in de toekomst, is dentro de una semana. Zo ook dentro de dos horas (over twee uur) en dentro de poco (binnenkort). Let op: met en una semana zeg je meestal hoe lang iets duurt: lo termino en una semana, ik maak het binnen een week af.
Wil je zeggen hoe lang iets al duurt, zoals vivo aquí desde hace dos años (ik woon hier al twee jaar), lees dan het blog Hoelang of vanaf wanneer: desde en hace.
Hoe vaak? Siempre, a menudo, a veces y nunca
Hoe vaak je iets doet, zeg je met deze woorden, van vaak naar nooit: siempre (altijd), casi siempre (bijna altijd), normalmente (meestal), a menudo (vaak), a veces (soms), de vez en cuando (af en toe), casi nunca (bijna nooit) en nunca (nooit). In Spanje hoor je voor vaak ook muchas veces. Elke dag is todos los días en een keer per week una vez a la semana. Samen met de wederkerende werkwoorden vertel je zo hoe je dag eruitziet: siempre me levanto a las siete. Dat oefen je in dagelijkse bezigheden.
Je zet deze woorden meestal vooraan of direct achter het werkwoord: siempre desayuno en casa of desayuno siempre en casa. Bij nunca let je op. Staat het vóór het werkwoord, dan zonder no: nunca como carne. Staat het erachter, dan komt er no vóór het werkwoord: no como carne nunca. Dat heet de dubbele ontkenning. Hoe die werkt, lees je in de les ontkenningen.
Oefening: welke tijdsaanduiding past?
Kies wat in de zin past. Je ziet meteen of het klopt. Bij een fout krijg je nog een poging.
-
1. Trabajo mañana.
-
2. El tren sale a las seis mañana.
-
3. tengo una cita con el médico. (morgenochtend)
-
4. cenamos fuera. (vanavond)
-
5. Son las siete de la y todavía hace sol.
-
6. Llegué a Madrid dos días.
-
7. El autobús llega diez minutos.
-
8. La semana estuve en Sevilla.
-
9. bebo café, no me gusta.
-
10. Voy al cine , dos o tres veces al año.
Test jezelf
Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.
Veelgestelde vragen over tijdsaanduidingen in het Spaans
Hoe zeg je ochtend in het Spaans?
Ochtend is la mañana. 's Ochtends of in de ochtend is por la mañana, vanochtend is esta mañana en morgenochtend mañana por la mañana.
Hoe zeg je middag in het Spaans?
Middag is la tarde en 's middags is por la tarde. In Spanje loopt la tarde van de lunch tot het avondeten, rond negen uur. Tussen de middag is a mediodía of al mediodía.
Hoe zeg je avond en nacht in het Spaans?
Allebei zijn la noche en 's avonds of 's nachts is por la noche. Vanavond is esta noche en gisteravond anoche. Na middernacht begint la madrugada. Een vroege avond, vóór het avondeten, is in Spanje nog la tarde.
Wat is het verschil tussen por la mañana en de la mañana?
Zonder kloktijd zeg je por la mañana: trabajo por la mañana. Met een kloktijd wordt het de la mañana: a las ocho de la mañana. Hetzelfde geldt voor la tarde, la noche en la madrugada.
Wat is het verschil tussen mañana en la mañana?
Mañana zonder lidwoord betekent morgen. La mañana is de ochtend. Morgenochtend is daarom mañana por la mañana.
Hoe zeg je volgende week en vorige maand in het Spaans?
Volgende week is la semana que viene of la próxima semana. Vorige maand is el mes pasado en volgend jaar el año que viene.
Hoe zeg je twee dagen geleden in het Spaans?
Twee dagen geleden is hace dos días: hace komt vooraan. Over een week, in de toekomst, is dentro de una semana.
Hoe zeg je altijd, vaak, soms en nooit in het Spaans?
Altijd is siempre, vaak is a menudo, soms is a veces en nooit is nunca. Staat nunca achter het werkwoord, dan komt er no vóór het werkwoord: no como carne nunca.
Wil je verder met je Spaans?
In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.
Download het gratis e-bookZelfstandig Spaans leren
Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.
