De maanden in het Spaans
De maanden van het jaar heten in het Spaans los meses del año. Ze lijken veel op de Nederlandse namen, omdat ze allebei uit het Latijn komen. Je schrijft ze met een kleine letter en meestal zonder lidwoord: enero, mayo, diciembre. Maand is el mes en jaar is el año.
Elke maand apart: van januari tot december in het Spaans
Zoek je één maand? Hier staat elke maand, met de lettergreep waar de klemtoon op valt in hoofdletters.
- Januari in het Spaans is enero (e-NE-ro)
- Februari is febrero (fe-BRE-ro)
- Maart is marzo (MAR-zo)
- April is abril (a-BRIL)
- Mei is mayo (MA-yo)
- Juni is junio (JU-nio)
- Juli is julio (JU-lio)
- Augustus is agosto (a-GOS-to)
- September is septiembre (sep-TIEM-bre)
- Oktober is octubre (oc-TU-bre)
- November is noviembre (no-VIEM-bre)
- December is diciembre (di-CIEM-bre)
De j in junio en julio spreek je uit als de ch in "lachen". In het grootste deel van Spanje klinkt de z in marzo en de c in diciembre als de Engelse th in "think". Naast septiembre staat ook setiembre in het woordenboek, maar in Spanje schrijf je bijna altijd septiembre.
De vier seizoenen in het Spaans
De seizoenen, of jaargetijden, heten in het Spaans las estaciones del año. Leer ze meteen met het lidwoord: la primavera (de lente) is vrouwelijk. El verano (de zomer), el otoño (de herfst) en el invierno (de winter) zijn mannelijk. Eén seizoen is una estación. Let op, want hetzelfde woord betekent ook station, zoals in la estación de tren.
Lente in het Spaans: la primavera
Lente is in het Spaans la primavera, het enige seizoen dat vrouwelijk is. In de lente zeg je en primavera. De lente begint rond 20 maart en in Spanje is het dan al snel warm genoeg om buiten op een terras te zitten. In maart of april valt la Semana Santa, de week voor Pasen, met processies in veel steden. Kort daarna viert Sevilla la Feria de Abril.
Zomer in het Spaans: el verano
Zomer is in het Spaans el verano. In de zomer is en verano. De zomer begint rond 21 juni. In het zuiden en in het binnenland wordt het dan vaak meer dan 35 graden, dus veel gebeurt pas in de avond, als het afkoelt. In augustus gaan heel veel Spanjaarden op vakantie (de vacaciones). In de grote steden zijn dan veel kleine winkels en bars een paar weken dicht.
Herfst in het Spaans: el otoño
Herfst is in het Spaans el otoño. In de herfst is en otoño. Let op de ñ: die klinkt als nj, zoals in "oranje". De herfst begint rond 23 september. In september gaan de kinderen weer naar school: la vuelta al cole. Aan de kust blijft het nog lang warm, maar in oktober en november valt in een groot deel van Spanje veel regen. Op straat verkopen ze dan castañas asadas, gepofte kastanjes.
Winter in het Spaans: el invierno
Winter is in het Spaans el invierno. In de winter is en invierno. De winter begint rond 21 december. Aan de kust en in het zuiden blijft het meestal zacht, maar in het binnenland, zoals in Madrid en Castilla y León, kan het 's nachts flink vriezen. In de Pyreneeën en de Sierra Nevada kun je skiën. De kerstvakantie loopt in Spanje door tot na el Día de Reyes op 6 januari: dan krijgen de kinderen hun cadeaus. Meer over die dagen lees je in de les feestdagen.
In mei, in de zomer: en mayo en en verano
"In" bij een maand of een seizoen is in het Spaans en: en mayo (in mei), en verano (in de zomer). Bij een maand zet je er geen lidwoord bij: je zegt en mayo en niet en el mayo. Bij een seizoen mag het allebei: en verano en en el verano zijn goed. Gaat het om deze, vorige of komende zomer, dan valt en weg: este verano, el verano pasado, el invierno que viene. Begin mei is a principios de mayo, half mei a mediados de mayo en eind mei a finales de mayo.
Maand en jaar in het Spaans: el mes en el año
Maand is in het Spaans el mes en het meervoud is los meses. Jaar is el año, met een ñ. Vergeet je die tilde, dan staat er ano en dat is een heel ander woord: de anus. Volgend jaar is el año que viene en vorig jaar el año pasado. Een jaartal zeg je als één getal: 2026 is dos mil veintiséis. Hoe dat werkt, lees je in de les de getallen.
Een datum zeggen in het Spaans: el 5 de mayo
Een datum zeg je in het Spaans met el, het getal en de voor de maand: el 5 de mayo, uitgesproken als el cinco de mayo. Komt het jaar erbij, dan zet je daar ook de voor: el 5 de mayo de 2026. Net als in het Nederlands gebruik je een gewoon getal. Alleen bij de eerste van de maand heb je een keus: in Spanje zeg je meestal el uno de mayo, maar el primero de mayo is ook goed. Welke datum het is, vraag je met ¿a qué fecha estamos? of ¿qué fecha es hoy? Je antwoordt met estamos a 5 de mayo of hoy es 5 de mayo. Na estamos a komt dus geen el en na hoy es meestal ook niet. De dag van de week zet je ervoor, met een komma: hoy es martes, 5 de mayo. De dagen zelf leer je in de les de dagen van de week.
Test jezelf
Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.
Veelgestelde vragen over de maanden en seizoenen in het Spaans
Wat zijn de maanden in het Spaans?
Januari is enero, februari febrero, maart marzo, april abril, mei mayo, juni junio, juli julio, augustus agosto, september septiembre, oktober octubre, november noviembre en december diciembre. Samen heten ze los meses del año.
Hoe zeg je januari in het Spaans?
Januari is enero, met de klemtoon op ne. In januari is en enero; 1 januari is el uno de enero. Ook de andere maanden lijken op het Nederlands: maart is marzo, mei is mayo en december is diciembre.
Schrijf je de maanden in het Spaans met een hoofdletter?
Nee. Maanden en seizoenen schrijf je in het Spaans met een kleine letter, ook in een datum: el 5 de mayo, en verano. Alleen aan het begin van een zin krijgen ze een hoofdletter.
Wat zijn de vier seizoenen in het Spaans?
La primavera (de lente), el verano (de zomer), el otoño (de herfst) en el invierno (de winter). Alleen la primavera is vrouwelijk. Seizoen is la estación.
Hoe zeg je zomer en winter in het Spaans?
Zomer is el verano en winter is el invierno. In de zomer zeg je en verano, in de winter en invierno. De zomervakantie is las vacaciones de verano.
Hoe zeg je een datum in het Spaans?
Met el, het getal, de en de maand: el 5 de mayo (el cinco de mayo). Met het jaar erbij: el 5 de mayo de 2026. Voor de eerste van de maand zeg je in Spanje meestal el uno; el primero is ook goed.
Zeg je en mayo of en el mayo?
En mayo, zonder lidwoord. Bij een seizoen mag het allebei: en verano en en el verano. Met deze of vorige valt en weg: este verano, el verano pasado.
Hoe vraag je in het Spaans welke datum het is?
Met ¿a qué fecha estamos? of ¿qué fecha es hoy? Het antwoord is bijvoorbeeld estamos a 5 de mayo of hoy es 5 de mayo.
Wil je verder na de maanden en seizoenen?
In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.
Download het gratis e-bookLeuk Spaans leren
Wil je Spaans leren vanaf de basis?
In onze cursus voor beginners leer je Spaans vanaf nul, stap voor stap met uitleg, geluid en oefeningen. Je betaalt één keer € 29 en houdt levenslang toegang.
Meer hierover op het blog
Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.