Naar de inhoud

Hobby’s en sporten Aficiones y deportes

Sport is in het Spaans el deporte en sporten is hacer deporte. Op deze pagina leer je de Spaanse woorden voor sporten en hobby’s, per groep: schaatsen en wintersport, balsporten, watersport, binnensporten en hobby’s. Je leert ook wanneer je jugar, hacer of practicar zegt, en hoe je vertelt wat je graag doet in je vrije tijd (me gusta leer). Klik op een kaart om het woord te horen, en zet “Toon vertaling” uit als je jezelf wilt overhoren.

Sporten in het Spaans: hacer deporte

Sport is in het Spaans el deporte. Sporten zeg je met hacer deporte, letterlijk: sport doen. ¿Haces deporte? betekent dus: sport je? Wil je weten welke sport iemand doet, dan vraag je ¿Qué deporte practicas? Iemand die veel sport, is deportista: soy muy deportista, ik ben heel sportief. Dat woord is voor een man en een vrouw hetzelfde. Trainen is entrenar, en de trainer is el entrenador.

Hardlopen is correr, wandelen caminar en fietsen ir en bicicleta, of korter ir en bici. Wielrennen als sport is el ciclismo. Een lange wandeling in de natuur of in de bergen heet el senderismo. Hoe je correr vervoegt, zie je bij correr.

Schaatsen en wintersport in het Spaans

Schaatsen is in het Spaans patinar. Dat woord gebruik je ook voor skeeleren en rolschaatsen. Wil je duidelijk maken dat het om ijs gaat, dan zeg je patinar sobre hielo. De schaatsen zelf zijn los patines de hielo, en de ijsbaan is la pista de hielo. Het hardrijden op de schaats, waar Nederland zo goed in is, heet el patinaje de velocidad.

Skiën is esquiar, en de ski of het skiën is el esquí. Snowboarden is hacer snowboard. Alle sporten in de sneeuw en op het ijs samen zijn los deportes de invierno, de wintersport. Een wintersportplaats is una estación de esquí.

Balsporten in het Spaans: voetbal, basketbal en honkbal

Voetbal is el fútbol, basketbal el baloncesto en honkbal el béisbol. In Latijns-Amerika hoor je voor basketbal meestal el básquetbol of kort el básquet. Honkbal is in Spanje een kleine sport, maar in Cuba, Venezuela en de Dominicaanse Republiek is het juist heel populair. Voetballen is jugar al fútbol: bij een balsport gebruik je jugar a. Hoe dat werkt, lees je verderop.

Ook handbal (el balonmano), volleybal (el voleibol) en tennis (el tenis) herken je snel. Een sport die in Spanje enorm populair is, is el pádel: een mengvorm van tennis en squash, die je met z'n vieren speelt op een baan met glazen wanden. Een grote bal, zoals een voetbal, is meestal el balón. Een kleine bal, zoals een tennisbal, is la pelota.

Watersport in het Spaans: zwemmen, duiken en zeilen

Zwemmen is nadar. Bedoel je zwemmen als sport, dan zeg je ook la natación: practico natación, of zoals veel Spanjaarden zeggen hago natación. Het zwembad is la piscina. Duiken onder water is bucear.

Watersport in het algemeen is los deportes acuáticos. Surfen is hacer surf, zeilen is la vela en kanoën is el piragüismo. Surfen doe je in Spanje vooral aan de noordkust en op de Canarische Eilanden.

Binnensporten in het Spaans: sportschool, yoga en vechtsport

De sportschool is el gimnasio, en naar de sportschool gaan is ir al gimnasio. In de spreektaal hoor je ook el gym. Let op: el gimnasio is dus niet het gymnasium. Yoga doe je, net als in het Nederlands: hacer yoga. Turnen en gymnastiek zijn la gimnasia.

Bij badminton (el bádminton) en tafeltennis (el tenis de mesa) gebruik je weer jugar a: jugar al bádminton. Judo, karate en boksen zijn el judo, el kárate en el boxeo. Worstelen is la lucha libre; zo heet ook het Mexicaanse showworstelen met maskers.

Jugar al fútbol of hacer deporte: welk werkwoord?

In het Nederlands speel je voetbal, maar doe je aan yoga. In het Spaans maak je hetzelfde onderscheid, met twee werkwoorden:

  • jugar a bij balsporten en spellen: juego al fútbol, juego al tenis, jugamos a las cartas. A en el worden samen al.
  • hacer bij sport in het algemeen en bij sporten zonder bal: hago deporte, hago yoga, hago ejercicio (ik beweeg, ik train).

Wil je het wat netter zeggen, of twijfel je, dan past practicar bijna altijd: practico natación, ¿qué deporte practicas? Fietsen is ir en bici of montar en bici. En een instrument bespelen is geen jugar, maar tocar: toco la guitarra, ik speel gitaar. Hoe je jugar vervoegt (juego, juegas, juega), zie je bij jugar.

Oefening: jugar, hacer, tocar of gustar

Kies het woord dat in de zin past. Je ziet meteen of het klopt, en bij een fout krijg je nog een poging.

  1. 1. Los sábados   al fútbol con mis amigos.
  2. 2. Todas las mañanas   yoga.
  3. 3. Juego   baloncesto.
  4. 4. ¿   deporte?
  5. 5. Mi padre   la guitarra.
  6. 6. Los domingos vamos   bici.
  7. 7. Dos veces por semana   natación.
  8. 8. Me   los deportes de invierno.

Een wedstrijd in het Spaans: el partido

Een wedstrijd is in het Spaans meestal el partido: un partido de fútbol, een voetbalwedstrijd. Bij hardlopen of wielrennen is een wedstrijd la carrera, en een toernooi is el torneo. Een competitie zoals de Spaanse voetbalcompetitie heet la liga. La competición is het algemene woord voor een wedstrijd of een competitie.

Winnen is ganar, verliezen perder en gelijkspelen empatar. Een doelpunt is un gol, en scoren is marcar un gol. Wie heeft er gewonnen? Dat vraag je met ¿Quién ha ganado? Een supporter of fan is un aficionado of una aficionada.

Hobby’s in het Spaans: las aficiones

Een hobby is in het Spaans una afición. Je hoort ook un hobby; Spanjaarden zeggen dat als jobi. Vrije tijd is el tiempo libre. De meeste hobby’s zijn in het Spaans een werkwoord: leer (lezen), cocinar (koken), viajar (reizen) en bailar (dansen). Kijken is ver: ver películas, ver la televisión. Een instrument bespelen is tocar: tocar un instrumento, tocar el piano. Foto’s maken is hacer fotos, en afspreken met vrienden is quedar con amigos.

In het blog Las aficiones laat lerares Rocío in een video allerlei hobby’s zien. Daarna klik je in een oefening het plaatje aan dat bij elke hobby hoort.

Wat doe je in je vrije tijd? ¿Qué haces en tu tiempo libre?

Wil je weten wat iemand in zijn vrije tijd doet, dan vraag je ¿Qué haces en tu tiempo libre? Wat iemand graag doet, vraag je met ¿Qué te gusta hacer? Je antwoordt met en mi tiempo libre en wat je doet: en mi tiempo libre leo mucho, in mijn vrije tijd lees ik veel.

Wat je graag doet, zeg je met me gusta en een heel werkwoord, de infinitief: me gusta leer, ik lees graag. Vind je iets echt heel leuk, dan zeg je me encanta: me encanta bailar, ik ben dol op dansen. Iets niet leuk vinden is no me gusta. Voor een infinitief staat altijd gusta, ook bij twee hobby’s: me gusta leer y viajar. Bij een zelfstandig naamwoord in het meervoud wordt het me gustan: me gustan los videojuegos. Hoe gustar precies werkt, en hoe je zegt dat jij iets ook leuk vindt (a mí también) of ook niet (a mí tampoco), leer je in het blog Gustar, también en tampoco.

Test jezelf

Beantwoord de vragen. Je krijgt direct feedback.

Veelgestelde vragen over hobby’s en sporten in het Spaans

Hoe zeg je sporten in het Spaans?

Sporten is hacer deporte, en de sport is el deporte. Sport je? is ¿Haces deporte? Welke sport iemand doet, vraag je met ¿Qué deporte practicas?

Hoe zeg je schaatsen in het Spaans?

Schaatsen is patinar, of duidelijker patinar sobre hielo. De schaatsen zijn los patines de hielo en de ijsbaan is la pista de hielo.

Hoe zeg je basketbal in het Spaans?

In Spanje is basketbal el baloncesto. In Latijns-Amerika zeg je meestal el básquetbol of el básquet. Basketballen is jugar al baloncesto.

Hoe zeg je voetballen in het Spaans?

Voetballen is jugar al fútbol, en ik voetbal is juego al fútbol. In Spanje zeg je altijd al; in een deel van Latijns-Amerika hoor je ook jugar fútbol, zonder al.

Wanneer gebruik je jugar en wanneer hacer bij sport?

Jugar a gebruik je bij balsporten en spellen: juego al tenis. Hacer gebruik je bij sport in het algemeen en sporten zonder bal: hago deporte, hago yoga. Practicar past bijna altijd. Een instrument bespelen is tocar: toco la guitarra.

Hoe zeg je hobby in het Spaans?

Een hobby is una afición, en je hoort ook un hobby. Naar iemands hobby’s vraag je met ¿Cuáles son tus aficiones? In het blog Las aficiones zie je in een video veel voorbeelden.

Hoe vraag je in het Spaans wat iemand in zijn vrije tijd doet?

Je vraagt ¿Qué haces en tu tiempo libre? Het antwoord begint vaak met en mi tiempo libre of met me gusta en een infinitief: me gusta leer, ik lees graag. Vind je het heel leuk, dan zeg je me encanta.

Hoe zeg je wedstrijd in het Spaans?

Een wedstrijd in een teamsport is el partido: un partido de fútbol. Een hardloop- of wielerwedstrijd is la carrera, een toernooi el torneo en een competitie la liga.

Wil je verder na hobby’s en sporten?

In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.

Download het gratis e-book
Leuk Spaans leren

Zelfstandig Spaans leren

Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.

Begin vandaag →
Leuk Spaans leren is onderdeel van Espaans.

Meer hierover op het blog

Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.