Het verschil tussen ser en estar
In het Nederlands heb je één werkwoord: zijn. Het Spaans heeft er twee, ser en estar. Kort gezegd gebruik je ser voor wat iemand of iets is, en estar voor waar iets is en hoe het er nu bij staat.
Je gebruikt ser voor:
- wie of wat iemand of iets is: es una chica;
- herkomst: soy de Holanda;
- een beroep: Juan es camarero;
- eigenschappen: es muy alta;
- de tijd en de dag: son las dos, hoy es martes.
Je gebruikt estar voor:
- een plaats, waar iemand of iets is: Juan está en el banco;
- een toestand: la tienda está cerrada;
- een gevoel, of hoe het met je gaat: estoy muy bien;
- wat je nu aan het doen bent, met een gerundio: estoy trabajando.
Op de kaarten hieronder staat steeds eerst een zin met ser en daarna een met estar, over dezelfde persoon of hetzelfde ding.
Ser en estar vervoegen in de tegenwoordige tijd
Ser en estar zijn allebei onregelmatig, dus de vormen leer je uit je hoofd. In de tegenwoordige tijd (presente) is het bij ser soy, eres, es, somos, sois, son en bij estar estoy, estás, está, estamos, estáis, están. Op de kaarten zie je eerst ser en daarna estar. Usted (u) krijgt dezelfde vorm als él en ella: usted es, usted está. Ustedes gaat net als ellos en ellas: son, están.
Let op de accenten bij estar: estás, está, estáis en están. Zonder accent is esta een ander woord: het betekent deze of dit, zoals in esta chica. In Spanje zeg je vosotros tegen een groep die je tutoyeert, en ustedes als je beleefd bent. Alle tijden van estar vind je bij de vervoeging van estar.
Ser voor wie of wat iemand is, en voor een beroep
Met ser zeg je wie of wat iemand of iets is. Volgt er een zelfstandig naamwoord, dan is het altijd ser: es una chica. Dat geldt ook voor je beroep, en net als in het Nederlands zonder lidwoord: soy profesora, ik ben lerares.
Ser voor eigenschappen: hoe iemand of iets is
Ook voor eigenschappen gebruik je ser: hoe iemand eruitziet, wat voor karakter iemand heeft, of hoe iets in het algemeen is. Het bijvoeglijk naamwoord past zich aan: alto wordt alta bij een vrouw, en in het meervoud krijgt het een s: mis padres son tolerantes.
Ser voor herkomst, bezit en bestemming
Waar iemand of iets vandaan komt, zeg je met ser de: soy de Holanda, ik kom uit Nederland. Met ser de zeg je ook van wie iets is: las gafas son de mi marido. Voor wie iets bedoeld is, zeg je met ser para: el café es para mi mujer.
Ser voor de tijd en de dag, en in zinnen als es útil
Hoe laat het is en welke dag het is, zeg je met ser: es la una, son las dos y cuarto, hoy es martes. Bij één uur zeg je es, vanaf twee uur son. Meer hierover leer je in de les de kloktijden.
Ook in zinnen als es interesante (het is interessant) en es útil (het is nuttig) met een heel werkwoord erachter gebruik je ser.
Estar voor een plaats: waar iemand of iets is
Waar iemand of iets is, zeg je met estar: Juan está en el banco, Juan is in de bank. Het onderwerp is dan bepaald: je weet over wie of wat het gaat, zoals Juan, de heren of mijn bagage. Gaat het om iets onbepaalds, zoals een man of twee dames, dan gebruik je hay. Dat zie je verderop.
Estar voor een toestand: hoe iets nu is
Met estar zeg je hoe iemand of iets er op dit moment bij staat: la tienda está cerrada, de winkel is dicht. Dat kan straks weer anders zijn: de winkel gaat open en de koffie warm je op. Ook estar de hoort hierbij: estamos de vacaciones, we zijn op vakantie.
Estar voor hoe je je voelt: ¿cómo está usted?
Estar gebruik je om te vragen of te zeggen hoe iemand zich voelt.
Estoy feliz = ik ben (nu) blij. Wil je zeggen dat iemand een gelukkig mens is, dan gebruik je ser: Es feliz.
Estar met een gerundio: wat je nu aan het doen bent
Wat je op dit moment aan het doen bent, zeg je met estar en een gerundio: estoy trabajando, ik ben aan het werk. Het gerundio maak je met -ando bij werkwoorden op -ar (trabajar wordt trabajando) en met -iendo bij werkwoorden op -er en -ir (comer wordt comiendo). Meer voorbeelden vind je in de les perífrasis de gerundio.
Woorden die van betekenis veranderen: ser listo of estar listo
Sommige bijvoeglijke naamwoorden betekenen iets anders met ser dan met estar. Dit zijn de bekendste:
- ser listo is slim zijn, estar listo is klaar zijn;
- ser aburrido is saai zijn, estar aburrido is je vervelen;
- ser malo is slecht zijn, estar malo is ziek zijn (en bij eten: niet goed meer);
- ser rico is rijk zijn, estar rico is lekker zijn.
Hay in het Spaans: er is en er zijn
Hay betekent er is of er zijn. Het komt van het werkwoord haber en verandert nooit: hay un hombre (er is een man) en hay dos señoras (er zijn twee dames). Je gebruikt hay als het onderwerp onbepaald is. Na hay komt dus un of una, een getal, een woord als mucho of nadie, of helemaal geen lidwoord: hay pan, er is brood. In de verleden tijd wordt het había of hubo, in de toekomende tijd habrá.
Met que en een heel werkwoord erachter betekent hay iets anders: hay que estudiar is je moet studeren. Dat leer je in de les tener que, hay que en deber.
Hay of estar: hay un banco tegenover el banco está
Zeg of vraag je dat iets er is, dan gebruik je hay: hay un banco cerca del hotel. Weet je al welk ding je bedoelt en zeg je waar het is, dan gebruik je estar: el banco está en la plaza. Het lidwoord helpt je kiezen: na hay staat un of una, voor está staat el of la. Zeg dus nooit hay el banco.
Veelgestelde vragen over ser, estar en hay
Wat is het verschil tussen ser en estar?
Allebei betekenen ze zijn. Ser gebruik je voor wie of wat iemand of iets is, voor herkomst, beroep, eigenschappen en de tijd: soy de Holanda, es muy alta, son las dos. Estar gebruik je voor een plaats, een toestand of een gevoel, en met een gerundio: estoy en Madrid, la tienda está cerrada, estoy trabajando.
Wat is het verschil tussen soy en estoy?
Allebei betekenen ze ik ben. Soy komt van ser: soy profesora, soy de Holanda. Estoy komt van estar: estoy en casa, estoy cansada. Zo werkt het ook met es en está. Let op: esta zonder accent is geen werkwoord, maar betekent deze of dit.
Hoe zeg je ik ben in het Spaans?
Dat hangt af van wat erna komt. Ik ben lerares, ik kom uit Nederland, ik ben lang: soy. Ik ben thuis, ik ben moe, ik ben aan het werk: estoy. Je leeftijd zeg je met tener: tengo treinta años.
Zeg je estoy feliz of soy feliz?
Allebei kan. Estoy feliz betekent dat je nu blij bent, bijvoorbeeld omdat je op vakantie bent. Soy feliz zegt dat je een gelukkig mens bent.
Wat betekent hay in het Spaans?
Hay betekent er is of er zijn: hay un bar en la plaza (er is een bar op het plein), hay dos bares (er zijn twee bars). Hay komt van haber en verandert nooit. Met que erachter betekent het moeten: hay que estudiar, je moet studeren.
Wanneer gebruik je hay en wanneer estar?
Hay gebruik je voor iets onbepaalds, met un, una, een getal of zonder lidwoord: hay un banco cerca. Estar gebruik je voor iets bepaalds, met el, la of een naam: el banco está en la plaza.
Hoe vervoeg je ser en estar?
In de tegenwoordige tijd is het bij ser soy, eres, es, somos, sois, son en bij estar estoy, estás, está, estamos, estáis, están. Allebei zijn ze onregelmatig.
Waarom zeg je está muerto en niet es muerto?
Dood is blijvend, maar het Spaans ziet het als de toestand waarin iemand is. Daarom zeg je está muerto. De regel blijvend tegenover tijdelijk klopt dus niet altijd. Kijk liever of je zegt wie of wat iets is (ser), of waar en hoe het nu is (estar).
Wil je verder met je Spaans?
In het gratis e-book vind je praktische tips en meer woorden en zinnen voor alledaagse gesprekken in het Spaans.
Download het gratis e-bookZelfstandig Spaans leren
Oefen Spaans met interactieve lessen, gesprekken en praktische oefeningen. Leer Spaans op een leuke en effectieve manier.
Meer hierover op het blog
Uitleg, achtergrond en extra oefeningen bij dit onderwerp.
-
Ser of Estar
Ser of estar? Ser gebruik je voor eigenschappen die blijven, estar voor een toestand of een plek. Met vervoegingen, voorbeelden en oefeningen.
OefeningWoordenlijst
-
Het verschil tussen 'muy' en 'mucho'
Muy of mucho kies je zo: muy voor een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord, mucho bij een zelfstandig naamwoord of werkwoord. Bekijk de video en test jezelf.
Oefening