Stap 1: leer de uitspraak en de klemtoon
Spaans spreek je bijna altijd uit zoals je het schrijft. Ken je de regels, dan kun je elk woord voorlezen, ook als je het nog nooit hebt gehoord. Begin daarom met de uitspraak. Dat kost je een paar avonden en je hebt er elke dag plezier van.
Let vooral op deze klanken:
- De j klinkt als de Nederlandse g, net als de g voor een e of i: jamón, gente.
- De c voor een e of i en de z spreek je in Spanje uit met je tong tussen je tanden, zoals de Engelse th: cerveza, la ciudad.
- De ll klinkt ongeveer als de j in ja: la llave.
- De ñ klinkt als nj: España.
- De h spreek je niet uit: hola.
- De r rol je kort, de rr lang. Zo zijn pero (maar) en perro (hond) twee verschillende woorden.
- De v klinkt bijna als een b: vino.
Klik op een kaart om het woord te horen en zeg het hardop na.
Dan de klemtoon. Daarvoor gelden drie regels:
- Eindigt een woord op een klinker, een n of een s, dan ligt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep: casa, lunes.
- Eindigt een woord op een andere medeklinker, dan ligt de klemtoon op de laatste lettergreep: español, ordenador.
- Wijkt een woord af van die regels, dan staat er een accent op de lettergreep met de klemtoon: teléfono, café, sábado.
Oefen alle klanken met geluid in de les De uitspraak in het Spaans. Leer daarna het Spaanse alfabet, met elke letter om te beluisteren. Dan kun je ook je naam spellen.