Het gebruik van ser, estar en hay Wanneer gebruik je welk werkwoord?

Wanneer maak je gebruik van ser, estar of hay? Kort samengevat: ser = zijn + eigenschap (langdurig of blijvend), estar = zijn + toestand (tijdelijk), en hay = er is / er zijn bij een onbepaald onderwerp.

Ser (1) – Zelfstandig naamwoord

Gebruik ser wanneer er een zelfstandig naamwoord volgt, bijvoorbeeld bij beroep of identiteit.

Ser (2) – Bezit en bestemming

Ser wordt gebruikt om bezit of bestemming aan te geven, vaak met de of para.

Ser (3) – Afkomst

Gebruik ser om aan te geven waar iemand of iets vandaan komt.

Ser (4) – Onpersoonlijke uitdrukkingen

Ser wordt gebruikt in onpersoonlijke uitdrukkingen zoals es interesante en es útil.

Ser (5) – Tijdsaanduidingen

Gebruik ser om de tijd aan te geven.

Estar (1) – Zich bevinden

Estar gebruik je om aan te geven waar iemand of iets zich bevindt. Het onderwerp moet bepaald zijn.

Estar (2) – Hoe gaat het?

Estar gebruik je om te vragen of te zeggen hoe iemand zich voelt.

Hay – Onbepaald onderwerp

Hay betekent er is of er zijn en wordt gebruikt wanneer het onderwerp onbepaald is.